ECLI:NL:RVS:2015:780
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen uitzonderlijke situatie in Benghazi voor verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 9 oktober 2014 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling heeft de zaak op 16 januari 2015 behandeld en beoordeelde de veiligheidssituatie in Benghazi aan de hand van diverse rapporten en nieuwsberichten. De rechtbank had geoordeeld dat het geweld in Benghazi vooral gericht was en niet willekeurig, en dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat er geen uitzonderlijke situatie was zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling stelt dat de stukken inderdaad vooral gericht geweld tonen, waarbij het risico op willekeurige burgerslachtoffers zich beperkt tot de gebieden waar daadwerkelijk gevechtshandelingen plaatsvinden. Het aantal slachtoffers en ontheemden is weliswaar aanzienlijk, maar niet in die mate dat kan worden gesproken van een uitzonderlijke situatie die bescherming rechtvaardigt.
De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.