ECLI:NL:RVS:2015:76
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging voor rechtsbijstand bij geschil over bedrijfsproduct
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand door de raad. De aanvraag had betrekking op een geschil met een leverancier over een product dat schade veroorzaakte en waarvoor appellant schadevergoeding wilde verhalen.
De raad wees de aanvraag af omdat het rechtsbelang verband hield met de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf, wat volgens artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, sub 2˚ van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) een uitsluitingsgrond is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en deze uitspraak werd in hoger beroep bevestigd.
Appellant voerde aan dat de afwijzing de toegang tot de rechter belemmert en dat hij niet over voldoende financiële middelen beschikt. De Raad van State oordeelde dat het systeem van rechtsbijstand gericht is op financiële beheersbaarheid en dat ondernemers geacht worden rekening te houden met kosten van rechtsbijstand in hun bedrijfsvoering. Ook het argument dat appellant zijn onderneming meer dan een jaar geleden had gestaakt, bood geen grond voor uitzondering.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand wordt bevestigd.