ECLI:NL:RVS:2015:678

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2015
Publicatiedatum
4 maart 2015
Zaaknummer
201408776/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • F.C.M.A. Michiels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5.4 Huisvestingsverordening Bestuur Regio UtrechtArt. 2.6.1 Huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging bemiddeling bij verkrijgen passende woonruimte

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft op 17 september 2013 de bemiddeling bij het verkrijgen van passende woonruimte voor appellant beëindigd nadat passende woonruimte was aangeboden. Appellant had een urgentieverklaring ontvangen en werd door het college bemiddeld om passende woonruimte te vinden.

De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellant tegen de beëindiging van de bemiddeling ongegrond, omdat het college aannemelijk had gemaakt dat passende woonruimte was aangeboden. Appellant stelde in hoger beroep dat de aangeboden woonruimte niet passend was, maar heeft dit niet nader onderbouwd.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd om dit oordeel te wijzigen. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 4 maart 2015.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de bemiddeling bevestigd.

Uitspraak

201408776/1/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Utrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 september 2014 in zaak nr. 14/446 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 17 september 2013 heeft het college de bemiddeling bij het verkrijgen van passende woonruimte ten behoeve van [appellant] beëindigd.
Bij besluit van 16 december 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2015, waar het college, vertegenwoordigd door W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 2.5.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regionale Huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht (hierna: de Huisvestingsverordening) trekt het college een urgentieverklaring in, indien de urgente eenmaal een naar het oordeel van het college passende woonruimte in de regio aangeboden heeft gekregen.
Ingevolge artikel 2.6.1, derde lid, kan het college woningzoekenden met een indicatie urgent door bemiddeling medewerking verlenen bij het verkrijgen van woonruimte, indien zij er niet in slagen binnen 6 maanden na afgifte urgentie op eigen initiatief passende woonruimte te vinden. Deze bemiddeling vindt binnen 12 maanden plaats nadat de urgentieverklaring is afgegeven.
2. Op 23 november 2012 heeft het college aan [appellant] een urgentieverklaring verleend. Eind 2012 is [appellant] verhuisd naar een tijdelijke woonruimte. Om niet-tijdelijke passende woonruimte te vinden, heeft het college door bemiddeling medewerking verleend, als bedoeld in artikel 2.6.1, derde lid, van de Huisvestingsverordening, waarbij het eenmalig passende woonruimte zou aanbieden. Op 16 september 2013 heeft het college naar zijn oordeel passende woonruimte aan [appellant] aangeboden. [appellant] heeft deze woonruimte geweigerd.
De rechtbank heeft overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de aangeboden woonruimte, die blijkens de advertentietekst zes kamers heeft, passend is. Het college mocht derhalve de bemiddeling beëindigen, aldus de rechtbank.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan hem tijdig passende woonruimte is aangeboden.
4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gemotiveerd overwogen dat het college op 16 september 2013 aan [appellant] passende woonruimte heeft aangeboden. In hoger beroep heeft [appellant] niet uiteengezet waarom de desbetreffende overweging onjuist, dan wel onvolledig is. Het aangevoerde geeft derhalve geen aanleiding om de uitspraak te vernietigen.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, griffier.
w.g. Michiels w.g. Vreken-Westra
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015
434-819.