ECLI:NL:RVS:2015:639
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij beoordeling verblijfsvergunning
De vreemdelingen hadden bij afzonderlijke besluiten van 11 november 2013 aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris werden afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde hun beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Tegen deze uitspraak stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Raad van State.
In de procedure bleek dat de vreemdelingen op 21 augustus 2014 opnieuw aanvragen indienden en bij besluiten van 22 oktober 2014 een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd verleend, geldig tot 21 augustus 2019. Hierdoor hebben zij inmiddels rechtmatig verblijf.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat de vreemdelingen geen belang meer hebben bij de beoordeling van het hoger beroep. Een gegrondverklaring zou immers leiden tot nieuwe besluiten die op grond van de wet niet kunnen worden ingewilligd zolang zij rechtmatig verblijf hebben. Belang ontstaat pas indien de verleende vergunningen worden ingetrokken of verlengingsaanvragen worden afgewezen. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang bij beoordeling.