ECLI:NL:RVS:2015:606
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt verblijfsvergunning met terugwerkende kracht na schending artikel 8 EVRM
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die op 11 mei 2010 werd afgewezen door de minister van Justitie. Na bezwaar en beroep werd het hoger beroep geschorst in afwachting van een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over een soortgelijke zaak.
Het EHRM oordeelde op 3 oktober 2014 dat de weigering van verblijf in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, het recht op eerbiediging van het gezinsleven. Naar aanleiding hiervan trok de staatssecretaris het eerdere besluit in en verleende alsnog een verblijfsvergunning met ingang van 3 oktober 2014.
De vreemdeling betoogde dat de vergunning met terugwerkende kracht vanaf de datum van de oorspronkelijke aanvraag van 16 april 2010 had moeten worden verleend, omdat de omstandigheden die het EHRM als uitzonderlijk beschouwde zich toen ook al voordeden. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte de ingangsdatum op 3 oktober 2014 had gesteld en dat de vergunning met ingang van de oorspronkelijke aanvraagdatum had moeten worden verleend.
Daarnaast werd geoordeeld dat de kosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met de bezwaarprocedure voor vergoeding in aanmerking komen vanwege de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit. De zaak werd vernietigd en terugverwezen voor een nieuw besluit, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding nader zal worden behandeld. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd; de verblijfsvergunning wordt met ingang van de oorspronkelijke aanvraagdatum toegekend en proceskosten worden vergoed.