ECLI:NL:RVS:2015:582
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vergoeding rechtsbijstand en kostenvergoeding door Raad voor Rechtsbijstand
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de vergoeding van rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand. De raad had aan appellant vergoedingen toegekend voor verleende rechtsbijstand, waarbij bedragen die door derden waren betaald in mindering werden gebracht. Appellant betwistte de wijze van verrekening van kostenvergoedingen die aan zijn cliënt waren toegekend.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de kostenvergoedingen geacht worden aan de rechtsbijstandverlener te zijn toegekend, tenzij uit het bestuursbesluit blijkt dat deze aan de rechtzoekende zijn toegekend. In deze zaak bleek uit het besluit van de Belastingdienst dat de vergoeding aan de cliënt was toegekend, waardoor verrekening door de raad niet terecht was. Het besluit van het college was niet duidelijk, zodat de verrekening daar wel terecht was.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde het besluit van de raad voor zover het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2012 betrof. De raad wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens wordt het griffierecht aan appellant vergoed. Voor het overige wordt de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand vernietigd voor zover het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2012 betreft, met opdracht tot nieuw besluit en vergoeding van griffierecht.