ECLI:NL:RVS:2015:458
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens arbeid zonder tewerkstellingsvergunning voor vreemdeling
De minister legde appellant een boete van €8.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden had verricht.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verklaringen van de vreemdeling niet betrouwbaar waren en dat niet was bewezen dat de vreemdeling de werkzaamheden had uitgevoerd. De vreemdeling had verklaard dat hij en zijn broer stucwerkzaamheden hadden verricht voor appellant, maar ter zitting stelde hij dat hij zelf niet aanwezig was en dat de twee personen die gezien waren, vrienden waren.
De Raad van State oordeelde dat appellant geen overtuigende verklaring had gegeven voor deze tegenstrijdigheid en dat het niet aannemelijk was waarom deze verklaring pas in hoger beroep was gegeven. De eerdere schriftelijke verklaring van de vreemdeling en de verklaringen van een vennoot van appellant werden als betrouwbaar beschouwd.
De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht had geconcludeerd dat de vreemdeling arbeid voor appellant had verricht zonder vergunning en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000,- wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning.