ECLI:NL:RVS:2015:4073
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste toepassing inburgeringsvereiste
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 8 oktober 2014 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing was omdat de referent de Nederlandse nationaliteit heeft. De richtlijn is wel van toepassing op het inburgeringsvereiste, waardoor het hoger beroep gegrond is.
Verder stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris het besluit onvoldoende had gemotiveerd, met name ten aanzien van de toepassing van de hardheidsclausule in het Vreemdelingenbesluit 2000, mede in het licht van een recent arrest van het Hof van Justitie. Hierdoor was het besluit ondeugdelijk gemotiveerd en vernietigbaar.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 12 februari 2015, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is vernietigd wegens ondeugdelijke motivering van het inburgeringsvereiste.