ECLI:NL:RVS:2015:4072
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste toepassing inburgeringsvereiste
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 24 april 2014 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is omdat de referent de Nederlandse nationaliteit heeft. De richtlijn is wel van toepassing op het inburgeringsvereiste, waardoor de rechtbank dit niet had mogen uitsluiten.
Daarnaast is geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bijzondere individuele omstandigheden niet leiden tot vrijstelling van het inburgeringsvereiste, terwijl het Hof van Justitie heeft bepaald dat vrijstelling geboden is als het inburgeringsvereiste de gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van het inburgeringsvereiste en onvoldoende motivering.