ECLI:NL:RVS:2015:4067
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste motivering inburgeringsvereiste
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 27 augustus 2013 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is op het inburgeringsvereiste, ook wanneer de referent de Nederlandse nationaliteit bezit. Dit betekende dat het besluit onvoldoende rekening hield met deze richtlijn, waardoor het hoger beroep gegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
Daarnaast stelde de vreemdeling dat de staatssecretaris niet deugdelijk had gemotiveerd waarom bijzondere individuele omstandigheden niet leidden tot toepassing van de hardheidsclausule. De Afdeling bevestigde dat het besluit niet voldeed aan de motiveringsvereisten, mede in het licht van een arrest van het Hof van Justitie dat vrijstelling van het inburgeringsvereiste kan vereisen.
De Afdeling vernietigde het besluit van 23 april 2014 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beslissing die in lijn moet zijn met de geldende Europese en nationale regelgeving.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn.