ECLI:NL:RVS:2015:3997
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste motivering inburgeringsvereiste
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 10 september 2013 werd afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze afwijzing, dat op 4 april 2014 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond in een uitspraak van 28 november 2014.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris het inburgeringsvereiste deugdelijk had gemotiveerd, terwijl bijzondere individuele omstandigheden een vrijstelling van dit vereiste rechtvaardigen. De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar een eerder arrest van het Hof van Justitie (C-153/14) waarin is bepaald dat een derdelander vrijgesteld moet worden van het inburgeringsvereiste indien dit de gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris de wet- en regelgeving omtrent het inburgeringsvereiste onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de rechtbank dit ten onrechte heeft bevestigd. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van 4 april 2014 alsnog gegrond verklaard. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris vernietigd en het beroep alsnog toegewezen.