ECLI:NL:RVS:2015:3966
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na matiging
De minister legde aan appellant boetes op van in totaal €6.000 wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad overweegt dat de minister voldoende heeft aangetoond dat de vreemdelingen arbeid hebben verricht binnen de onderneming van appellant, ook al was er geen formele arbeidsovereenkomst. Het ruime werkgeversbegrip van de Wet arbeid vreemdelingen is hierbij van belang. De verklaringen van appellant en de waarnemingen van de verbalisanten ondersteunen dit oordeel.
De Raad neemt het standpunt van de minister over dat het boetenormbedrag is verlaagd van €6.000 naar €4.000, waardoor de boete wordt gematigd. Verder is appellant niet geslaagd in zijn verzoek tot verdere matiging, omdat hij geen financiële bewijsstukken heeft overgelegd.
De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en de ministeriële besluiten, herroept de boetebesluiten van oktober 2013 en stelt de boete definitief vast op €4.000. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt na matiging vastgesteld op €4.000.