ECLI:NL:RVS:2015:3801
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken toestemmingsverklaring moeder
De vreemdelingen vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan, welke door de minister van Buitenlandse Zaken op 6 maart 2014 werd afgewezen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit op 16 maart 2015 en gelastte een hernieuwde beoordeling.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en betoogde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd, met name over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de referent. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris vrij is om in de nareisprocedure af te wijken van eerdere geloofwaardigheidsoordelen.
De kern van het geschil betrof het ontbreken van een toestemmingsverklaring van de moeder van de vreemdelingen, waarbij de staatssecretaris stelde dat de overlijdensdatum van de moeder niet aannemelijk was gemaakt vanwege tegenstrijdige getuigenverklaringen en de geboortedatum van vreemdeling 2.
De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de getuigenverklaringen onvoldoende consistent waren om het overlijden van de moeder aannemelijk te maken. Hierdoor kon niet worden voldaan aan de vereisten voor het verkrijgen van een mvv.
De overige beroepsgronden, waaronder een beroep op artikel 8 EVRM Pro, behoefden geen bespreking. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.