ECLI:NL:RVS:2015:3790
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel Tutsi uit Zuid-Kivu
De vreemdeling, een Tutsi uit de provincie Zuid-Kivu in de Democratische Republiek Congo, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die door de staatssecretaris op 15 mei 2013 werd afgewezen. De rechtbank had eerder de eerdere afwijzing vernietigd, maar het hoger beroep tegen die uitspraak liep nog. De Afdeling bestuursrechtspraak nam het beroep tegen het besluit van 15 mei 2013 alsnog in behandeling.
De vreemdeling voerde aan dat de staatssecretaris onterecht een vestigingsalternatief in Kinshasa tegen hem had ingebracht, mede omdat zijn medische situatie onvoldoende was meegewogen. De staatssecretaris verwees naar beleidsbesluiten en ambtsberichten waarin werd gesteld dat Tutsi's zich veilig kunnen vestigen in Kinshasa en dat er een moratorium geldt voor vertrek uit het oosten van de DRC.
De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende had aangetoond dat vestiging in Kinshasa voor hem onmogelijk was. Ook het medisch dossier gaf geen aanleiding tot een ander oordeel, mede omdat het Bureau Medische Advisering had vastgesteld dat de vreemdeling zonder medische voorzieningen kon reizen. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 november 2015.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.