ECLI:NL:RVS:2015:354

Raad van State

Datum uitspraak
6 februari 2015
Publicatiedatum
11 februari 2015
Zaaknummer
201403000/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na vertrek naar land van herkomst

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij besluit van 8 juli 2013 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 14 maart 2014 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure bleek uit een vertrekverklaring dat de vreemdeling op 22 mei 2014 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie naar Iran was vertrokken en daarbij verklaarde lopende verblijfsrechtelijke procedures in te trekken.

Gelet op het vertrek en de intrekking van de procedures is de staatssecretaris niet meer gehouden een nieuw besluit te nemen. Hierdoor heeft het hoger beroep geen belang meer en wordt het als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek van de vreemdeling en intrekking van de verblijfsprocedures.

Uitspraak

201403000/1/V3.
Datum uitspraak: 6 februari 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 maart 2014 in zaak nr. 13/18987 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 maart 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
1.1. Uit een door de staatssecretaris overgelegde, door de vreemdeling ondertekende, vertrekverklaring blijkt dat de vreemdeling op 22 mei 2014 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland is vertrokken naar haar land van herkomst, Iran. Uit de vertrekverklaring blijkt eveneens dat de vreemdeling bij vertrek op Schiphol een verklaring heeft ondertekend dat zij nog lopende verblijfsrechtelijke procedures intrekt.
1.2. Nu de staatssecretaris gelet op het voormelde niet meer gehouden is een nieuw besluit te nemen, hebben de door de staatssecretaris in het hogerberoepschrift bestreden overwegingen van de rechtbank in deze zaak geen betekenis meer. De staatssecretaris heeft om die reden geen belang meer bij een beoordeling van zijn grieven.
2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Verbeek
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2015
574-796.