ECLI:NL:RVS:2015:3521
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen dakopbouw na verlening omgevingsvergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde handhavend op te treden tegen een dakopbouw die in afwijking van een bouwvergunning was gerealiseerd. Na eerdere procedures werd uiteindelijk een omgevingsvergunning verleend voor een gewijzigde uitvoering van de dakopbouw, waarmee de illegale situatie werd gelegaliseerd.
Appellant, eigenaar van de naastgelegen woning, verzocht het college alsnog handhavend op te treden en dwangsommen te innen, maar het college zag hiervan af vanwege het concrete zicht op legalisering. De rechtbank oordeelde dat de omgevingsvergunning terecht was verleend en dat handhaving niet meer aan de orde was.
De appellant stelde dat het college gehouden was handhavend op te treden op grond van het toen geldende bestemmingsplan en dat de verjaring van de dwangsom niet was ingetreden. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom was verjaard en dat het college bij het nieuwe besluit het actuele bestemmingsplan moest toepassen.
De Afdeling concludeerde dat het college terecht geen handhavend optreden meer verrichtte en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat het college terecht niet handhavend is opgetreden tegen de gelegaliseerde dakopbouw.