ECLI:NL:RVS:2015:3402
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling afgewezen machtiging voorlopig verblijf ondanks gezinsleven met minderjarige dochter
De vreemdeling, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland bij haar echtgenoot, die een minderjarige dochter uit een eerder huwelijk heeft. De minister wees dit verzoek op 29 augustus 2012 af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de Raad van State vernietigt dit vonnis voor zover de rechtbank naliet de griffierechten te vergoeden.
De Raad oordeelt dat de staatssecretaris terecht het bezwaar ongegrond verklaarde en dat het beroep tegen het besluit van 1 mei 2015 ongegrond is. De vreemdeling stelde dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro onjuist was, onder meer omdat de omgang tussen de dochter en haar moeder niet was meegewogen en de ondertoezichtstelling van de dochter niet was betrokken. De Raad stelt vast dat de staatssecretaris deze aspecten wel degelijk in de belangenafweging heeft betrokken.
De Raad vindt dat de objectieve belemmering voor de dochter om het gezinsleven met haar vader in Marokko uit te oefenen, terecht zwaarwegend is meegewogen. Ook de beperkte omgang tussen moeder en dochter en het ontbreken van een stabiele woonplaats van de moeder in Nederland wegen in het nadeel van de vreemdeling. Daarnaast is onvoldoende aangetoond dat de referent zich voldoende inspande om aan de voorwaarden voor vergunningverlening te voldoen.
De Raad verklaart het hoger beroep gegrond voor wat betreft de griffierechtvergoeding, vernietigt het vonnis van de rechtbank op dat punt, verklaart het beroep tegen het besluit van 1 mei 2015 ongegrond en gelast de staatssecretaris tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 1 mei 2015 wordt ongegrond verklaard, maar de griffierechten worden aan de vreemdeling vergoed.