ECLI:NL:RVS:2015:3372
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks beroep op EU-vrij verkeer en zelfstandigheid
De minister legde op 11 juli 2013 een boete van €9.500 op aan [appellante] wegens het laten verrichten van arbeid door een Bulgaarse vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning en het niet vaststellen van diens identiteit volgens de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
[Appellante] voerde aan dat de vreemdeling als zelfstandige werkte en dat de boete in strijd was met het EU-recht, met name artikel 20 en Pro 45 van het VWEU, en de overgangsmaatregelen voor Bulgaarse werknemers. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling feitelijk onder gezag van [bedrijf] werkte, ondanks enkele zelfstandigheidselementen, en dat de vergunningplicht voor Bulgaarse werknemers tot 1 januari 2014 terecht werd gehandhaafd op grond van de overgangsmaatregelen.
Verder werd geoordeeld dat de boete niet in strijd is met het lex-certabeginsel en dat de minister het verweerschrift tijdig heeft ingediend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbeterde motivering over de overgangsmaatregelen en de feitelijke arbeidsrelatie.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €9.500 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en wijst het hoger beroep af.