ECLI:NL:RVS:2015:3365
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding vergunningplicht arbeid vreemdeling Bulgaarse werknemer
De minister legde op 11 juli 2013 een boete van €8.000,- op aan [appellante] wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van [appellante] tegen deze boete ongegrond. [appellante] stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Bulgaarse vreemdeling als zelfstandige of als werknemer onder gezag van [appellante] arbeid verrichtte. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling onder gezag werkte, gelet op verklaringen en feitelijke omstandigheden zoals toezicht en controle door [appellante]. De overeenkomst van opdracht had meer het karakter van een arbeidsovereenkomst.
Verder werd betwist of de boete in strijd was met het Unierecht, met name artikel 20 en Pro 45 VWEU en de overgangsmaatregelen uit Bijlage VI. De Raad van State bevestigde dat Nederland gerechtigd was de vergunningplicht voor Bulgaarse werknemers tot 1 januari 2014 te handhaven vanwege arbeidsmarktverstoring. Ook het beroep op het voorrangsbeginsel voor EU-onderdanen boven derdelanders faalde, omdat de regeling niet strenger was dan voor derdelanders.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een verbetering van de motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000,- wegens het laten verrichten van arbeid door een Bulgaarse vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning.