ECLI:NL:RVS:2015:3306
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na controle identiteitsbewijs
De minister legde appellant een boete van €6.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De vreemdeling werkte als kapper zonder geldige vergunning en gebruikte een vervalst identiteitsbewijs.
Appellant voerde aan dat hij voorafgaand aan de tewerkstelling alle redelijke stappen had genomen om de echtheid van het identiteitsbewijs te controleren, waaronder het maken van een kopie en het controleren van zichtbare echtheidskenmerken. De rechtbank oordeelde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij het volledige verificatiestappenplan had gevolgd en dat de overtreding hem volledig valt te verwijten.
De Raad van State overwoog dat verwijtbaarheid ontbreekt indien de overtreder alles redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om overtreding te voorkomen. Appellant had echter slechts een globale controle uitgevoerd en niet de MRZ gecontroleerd zoals voorgeschreven. Daarom was matiging van de boete op zijn plaats. De Raad stelde de boete vast op €4.000, conform de beleidsregels van 2012, en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete wordt verminderd van €6.000 naar €4.000 en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.