ECLI:NL:RVS:2015:3056
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig nemen van besluiten op Wbp-verzoeken door UWV
Appellante heeft op 28 januari 2014 twee verzoeken ingediend bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), gericht aan de afdelingen Beroep en Bezwaar en Re-integratie. Nadat het UWV geen besluiten had genomen, stelde zij het UWV in gebreke. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond wegens niet tijdig nemen van besluiten, maar het hoger beroep werd ingesteld tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het UWV weliswaar verplicht was besluiten te nemen op de verzoeken, maar dit niet heeft gedaan. De rechtbank had ten onrechte inhoudelijk op de verzoeken beslist zonder dat besluiten waren genomen. De Afdeling verklaart het beroep gegrond en vernietigt het vonnis van de rechtbank.
De Afdeling stelt vervolgens zelf vast dat appellante reeds inzage en kopieën van de gevraagde dossiers heeft ontvangen in 2013 en 2014, en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet alle stukken heeft ingezien. Daarom wijst de Afdeling de verzoeken inhoudelijk af. Tevens wijst zij het verzoek om vaststelling van dwangsommen af, omdat de aanvragen kennelijk ongegrond zijn.
Tot slot veroordeelt de Afdeling het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en een klein bedrag aan proceskosten. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 september 2015 door lid Steendijk en griffier Binnema.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten gegrond verklaard, maar de verzoeken inhoudelijk afgewezen.