ECLI:NL:RVS:2015:3008
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 20 februari 2014 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde wegens onvoldoende motivering over de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte het tijdsverloop en de afwezigheid van recidive in haar beoordeling had betrokken. Tevens stelde hij dat het gepleegde drugsmisdrijf als een ernstig, niet-politiek misdrijf moet worden aangemerkt, waardoor de uitsluitingsgrond van artikel 1(F) van toepassing is.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank niet voorbij is gegaan aan de vraag of de uitsluitingsgrond terecht is toegepast, maar juist het tijdsverloop en de afwezigheid van recidive meegewogen heeft. Verder stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris onvoldoende inzicht heeft gegeven in de motivering waarom het drugsmisdrijf als ernstig, niet-politiek misdrijf moet worden aangemerkt, terwijl dit van groot belang is vanwege de blijvende uitsluiting van verblijfsvergunningen.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden. De staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €490,00.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod vernietigd wegens onvoldoende motivering van toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag.