ECLI:NL:RVS:2015:296
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-ontvankelijkheid beroep inreisverbod en proceskostenveroordeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 16 november 2014 een inreisverbod uit en stelde de vreemdeling in vreemdelingenbewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen beide besluiten bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de inbewaringstelling ongegrond en wees het beroep tegen het inreisverbod af zonder inhoudelijke beoordeling.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. Deze constateerde dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel gaf over het beroep tegen het inreisverbod, terwijl de staatssecretaris het inreisverbod had ingetrokken. Hierdoor had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren. Daarnaast oordeelde de Raad dat de intrekking van het inreisverbod als een tegemoetkoming aan de vreemdeling kan worden gezien, waardoor een proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris passend is.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van het vonnis dat het beroep tegen het inreisverbod betrof, en bevestigde het oordeel over de inbewaringstelling. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ter hoogte van €1.470,00.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.