ECLI:NL:RVS:2015:2854
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling minister tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in kinderopvangtoeslagzaak
De Belastingdienst/Toeslagen had het voorschot kinderopvangtoeslag van appellant over 2009 herzien vastgesteld op nihil, omdat appellant niet had gereageerd op verzoeken om bewijsstukken. De rechtbank vernietigde het besluit wegens motiveringsgebrek maar handhaafde de rechtsgevolgen en wees een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding af.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte alleen de bestuursfase had meegewogen en niet de rechterlijke fase bij de beoordeling van de redelijke termijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de totale duur van bezwaar- en beroepsprocedures moet worden meegewogen, waarbij een termijn van maximaal vijf jaar redelijk is.
De totale procedure duurde ruim drie jaar en vijf maanden, waarmee de redelijke termijn met ruim vijf maanden was overschreden. Dit was voor rekening van de Staat. De Afdeling veroordeelde de minister van Veiligheid en Justitie tot betaling van €500 aan appellant als vergoeding voor immateriële schade, daarnaast werd de proceskostenvergoeding en terugbetaling van griffierecht toegewezen.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het verzoek om schadevergoeding was afgewezen. De Afdeling nam zelf de beslissing tot vergoeding van schade en kosten.
Uitkomst: De minister van Veiligheid en Justitie is veroordeeld tot betaling van €500 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.