AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging omgevingsvergunning voor appartementenbouw ondanks bezwaar appellant
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 24 maart 2014 een omgevingsvergunning aan Casa 23 B.V. voor de bouw van 73 appartementen aan de Martinus Nijhoffweg te Den Haag. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat op 19 september 2014 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 maart 2015 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State en voerde aan dat het bestemmingsplan niet toepasselijk zou zijn vanwege de omstandigheden en het doel van het plan, en dat het college haar zou hebben misleid over de aard van het bouwplan. De Raad oordeelde dat de toetsing aan het bestemmingsplan binnen de omgevingsvergunningprocedure niet bedoeld is om het bestemmingsplan zelf aan te vechten, waarvoor andere rechtsmiddelen openstonden.
Verder stelde de Raad dat de toelichting bij het bestemmingsplan geen bindende betekenis heeft bij de toetsing van het bouwplan aan het bestemmingsplan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201503391/1/A1.
Datum uitspraak: 9 september 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2015 in zaak nr. 14/9875 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2014 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Casa 23 B.V. omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 73 appartementen aan de Martinus Nijhoffweg ongenummerd te Den Haag (hierna: het perceel).
Bij besluit van 19 september 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2015, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wateringse Veld, 6e herziening (ESDO-locatie)", niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan, gelet op de omstandigheden op grond waarvan en met welk doel het tot stand is gekomen, buiten toepassing moet worden gelaten. Voorts heeft de rechtbank in dit verband niet onderkend dat het bestemmingsplan niet strookt met de daarbij behorende toelichting. Zij merkt daarbij op dat het college haar heeft misleid, nu voor de vaststelling van het bestemmingsplan vaststond dat op het perceel een woongroep zou worden gerealiseerd, terwijl artikel 9 vanPro de planregels een appartementencomplex mogelijk maakt.
1.1. De mogelijkheid om in het kader van een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning de gelding van de toepasselijke regeling van het bestemmingsplan aan de orde te stellen, strekt niet zover dat het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan aldus opnieuw kan worden onderworpen aan de te hanteren toetsingsmaatstaf ten aanzien van de vaststelling van het bestemmingsplan, waartegen een procedure bij de Afdeling mogelijk is geweest. Niet is gebleken dat de hier aan de orde zijnde planregel evident in strijd is met enige wettelijke bepaling die ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingplan van toepassing was. In hetgeen [appellante] betoogt, wordt derhalve geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de rechtbank het bestemmingsplan buiten toepassing had moeten laten. Indien [appellante] zich niet met de wijze van totstandkoming van het bestemmingsplan kon verenigen en van mening was dat het bestemmingsplan niet strookt met het doel waarvoor het is vastgesteld, zoals volgt uit de toelichting van dat plan, had zij tegen het besluit waarbij het bestemmingsplan is vastgesteld rechtsmiddelen kunnen en moeten aanwenden.
Het betoog faalt.
2. Voor zover [appellante] heeft beoogd te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat niet wordt voldaan aan hetgeen is omschreven in de toelichting, faalt dit betoog. Voor het antwoord op de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan dient naar de planregels van het bestemmingsplan te worden gekeken. Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2005 in zaak nr. 200404104/1 heeft overwogen, maakt de toelichting geen deel uit van het bestemmingsplan en komt aan de inhoud daarvan in dit kader geen bindende betekenis toe.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.
w.g. Van der Spoel
lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.