ECLI:NL:RVS:2015:2799

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2015
Publicatiedatum
2 september 2015
Zaaknummer
201409341/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na vertrek vreemdeling

De staatssecretaris heeft op 12 november 2013 een aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 22 oktober 2014 het beroep gegrond verklaarde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling stelden hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure bleek uit een vertrekverklaring van de vreemdeling dat hij op 2 april 2015 met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie Nederland had verlaten en lopende verblijfsrechtelijke procedures introk.

De Raad van State overweegt dat de vreemdeling hierdoor geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De staatssecretaris is niet langer gehouden een nieuw besluit te nemen en heeft geen belang bij de beoordeling van zijn grieven. Daarom verklaart de Afdeling de hoger beroepen niet-ontvankelijk en wijst zij een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De hoger beroepen van de staatssecretaris en de vreemdeling worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te beschermen belang.

Uitspraak

201409341/1/V2.
Datum uitspraak: 28 augustus 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 oktober 2014 in zaak nr. 13/29447 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben verweerschriften ingediend.
De staatsecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.
1.1. Het nader stuk van de staatssecretaris van 24 april 2015 bevat onder meer de door de vreemdeling ondertekende vertrekverklaring waaruit blijkt dat hij op 2 april 2015 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland is vertrokken naar zijn land van herkomst, Iran. Uit de vertrekverklaring blijkt tevens dat de vreemdeling bij vertrek op Schiphol een verklaring heeft ondertekend dat hij nog lopende verblijfsrechtelijke procedures intrekt.
1.2. Gelet hierop, stelt de vreemdeling kennelijk geen prijs meer op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. Aldus heeft de vreemdeling reeds hierom geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.
2. Nu de staatssecretaris, gelet op het vorenstaande, niet meer is gehouden een nieuw besluit te nemen, hebben de door de staatssecretaris in zijn hogerberoepschrift bestreden overwegingen van de rechtbank in deze zaak geen betekenis meer. De staatssecretaris heeft om die reden evenmin belang bij een beoordeling van zijn grieven.
3. De hoger beroepen zijn kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Wolff
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015
238.