ECLI:NL:RVS:2015:2785

Raad van State

Datum uitspraak
25 augustus 2015
Publicatiedatum
2 september 2015
Zaaknummer
201503450/1/V3 en 201503450/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 lid 3 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 92 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake feitelijke overdracht aan Italië

Op 10 juli 2014 maakten de vreemdelingen bezwaar tegen hun voorgenomen feitelijke overdracht aan Italië op 14 juli 2014. De staatssecretaris verklaarde dit bezwaar op 24 maart 2015 ongegrond. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 21 april 2015 eveneens ongegrond. De vreemdelingen stelden hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk was omdat de feitelijke overdracht op 14 juli 2014 niet was geëffectueerd, waardoor de vreemdelingen geen belang meer hadden bij een oordeel over de rechtmatigheid daarvan.

Daarnaast verzochten de vreemdelingen op 21 augustus 2015 om een voorlopige voorziening om overdracht op 26 augustus 2015 te voorkomen. De voorzieningenrechter vond geen grond om aan te nemen dat de overdracht onrechtmatig zou zijn en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

201503450/1/V3 en 201503450/2/V3.
Datum uitspraak: 25 augustus 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 april 2015 in zaak nr. 15/6144 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Op 10 juli 2014 hebben de vreemdelingen op basis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen hun voorgenomen feitelijke overdracht aan Italië op 14 juli 2014.
Bij besluit van 24 maart 2015 heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler, advocaat te Emmen, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Op 18 augustus 2015 hebben de vreemdelingen op basis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen hun voorgenomen feitelijke overdracht aan Italië op 26 augustus 2015. Voorts hebben zij op 21 augustus 2015 de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2015 aan de Afdeling doorgezonden.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke overdracht op 14 juli 2014. Nu deze voorgenomen overdracht niet is geëffectueerd hebben de vreemdelingen geen belang bij een rechterlijk oordeel over de rechtmatigheid daarvan.
1.1. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Het verzoek van 21 augustus 2015 is erop gericht te voorkomen dat de vreemdelingen op 26 augustus 2015 aan Italië worden overgedragen.
2.1. In hetgeen de vreemdelingen aan hun verzoek ten grondslag hebben gelegd is geen grond gelegen voor het oordeel dat niet van de rechtmatigheid van de overdracht en de wijze waarop deze wordt geëffectueerd kan worden uitgegaan. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.2. Het verzoek van 21 augustus 2015 dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Verheij w.g. Verbeek
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015
574.