ECLI:NL:RVS:2015:2702
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- D.J.C. van den Broek
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot vervallenverklaring tenaamstelling voertuigen met terugwerkende kracht
De appellant verzocht de RDW om de tenaamstelling van twee voertuigen met terugwerkende kracht te laten vervallen, omdat hij volgens de Belastingdienst sinds respectievelijk 16 juni 2000 en 21 augustus 2000 niet meer als houder werd aangemerkt. De RDW wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het verzoek een herhaling betrof zonder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de RDW onterecht artikel 4:6 Awb Pro toepaste, mede vanwege Europese regelgeving zoals de Privacyrichtlijn, het EVRM en het EU-Handvest, en dat het besluit van 14 december 2011 geen formele rechtskracht zou hebben wegens strijd met Unierecht.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat artikel 4:6 Awb Pro terecht werd toegepast omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd en er geen relevante wijziging van het recht had plaatsgevonden. Ook volgde uit het Unierecht niet dat aan het besluit formele rechtskracht ontbrak. Het beroep op het EU-Handvest en het EVRM faalde, evenals het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het hoger beroep niet gegrond was. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek tot vervallenverklaring van de tenaamstelling met terugwerkende kracht is afgewezen.