ECLI:NL:RVS:2015:2669
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing afgifte verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende verblijf in gastlidstaat
De vreemdelingen, derdelands familieleden van een EU-burger met de Nederlandse nationaliteit, verzochten om afgifte van een verblijfsdocument dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan aantoont. De minister wees dit verzoek af, waarna de rechtbank het beroep van de vreemdelingen gegrond verklaarde en het besluit vernietigde.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de vreemdelingen niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij samen met de EU-burger langer dan drie maanden onafgebroken in België hadden verbleven, zoals vereist voor een afgeleid verblijfsrecht. De Raad van State bevestigde dit standpunt op basis van jurisprudentie en het arrest van het Hof van Justitie (C-456/12).
De Raad oordeelde dat de overgelegde stukken, waaronder loonstroken, inschrijvingen en medische gegevens, onvoldoende bewijs vormden voor een gezamenlijk verblijf van minimaal drie maanden in België. Ook de bankafschriften en andere documenten wezen op een feitelijk verblijf van de EU-burger in Nederland. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijk verblijf in België langer dan drie maanden.