ECLI:NL:RVS:2015:2555
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsommen wegens permanente bewoning recreatiewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Ommen legde appellante een last onder dwangsom op om de permanente bewoning van haar recreatiewoning te staken. Na overtreding werd een dwangsom van €20.000,- ingevorderd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen de invordering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. Appellante voerde aan dat het college het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door haar niet te waarschuwen voor dwangsommen en onvoldoende rekening te houden met haar situatie.
De Raad oordeelt dat er geen concrete toezeggingen waren die vertrouwen rechtvaardigden en dat het college voldoende duidelijk had gemaakt dat dwangsommen zouden worden opgelegd bij niet-naleving. Ook was een belangenafweging bij de invordering niet aan de orde, aangezien deze reeds in het oorspronkelijke lastbesluit had plaatsgevonden.
De Raad stelt vast dat het college het advies van de Commissie voor Bezwaarschriften om het bedrag te matigen niet hoefde over te nemen, omdat het contact tussen partijen onvoldoende was om van invordering af te zien. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsommen bevestigd.