ECLI:NL:RVS:2015:2530
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep bij afwijzing verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Regeling langdurig verblijvende kinderen. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris op 31 juli 2013 afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde. De vreemdeling stelde vervolgens incidenteel hoger beroep in.
De staatssecretaris trok het hoger beroep in en de Afdeling bestuursrechtspraak besloot de zaak zonder zitting af te doen. De Afdeling overwoog dat de vreemdeling inmiddels een verblijfsvergunning had ontvangen onder de beperking 'niet-tijdelijke humanitaire gronden'. Hierdoor kon de vreemdeling met haar incidenteel hoger beroep geen belang meer behalen, omdat de contra-indicatie dat zij al houder is van een verblijfsvergunning in de Regeling geldt.
De Afdeling concludeerde dat belang bij beoordeling van het incident hoger beroep pas ontstaat indien de verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd. Daarom verklaarde de Afdeling het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.