ECLI:NL:RVS:2015:2429
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel bij weigering toegang Schengengebied
De vreemdeling maakte deel uit van een groep die op 10 februari 2015 de toegang tot het Verenigd Koninkrijk werd geweigerd en teruggestuurd naar Nederland. Na aankomst werd hij onderworpen aan eerstelijns- en tweedelijnscontroles, waarna hem om 14.58 uur de toegang tot het Schengengebied werd geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd met plaatsaanduiding Justitieel Complex Schiphol (JCS).
De vreemdeling stelde dat hem reeds tussen de controles onrechtmatig vrijheid was ontnomen omdat hij de wachtruimte niet mocht verlaten zonder toestemming, en dat de opgelegde maatregel daarom onrechtmatig was. De Raad oordeelde dat de feitelijke bewegingsbeperking niet het gevolg was van een actief overheidsingrijpen en dus geen vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM Pro vormde, tenzij deze onredelijk lang zou duren, wat hier niet het geval was.
Voorts betoogde de vreemdeling dat voor het transport van Hoek van Holland naar het JCS een aparte beschikking vereist was. De Raad stelde vast dat de beschikking met plaatsaanduiding JCS ook het vervoer en het wachten daarop dekte, en dat geen sprake was van onredelijke wachttijd. Daarom was geen aparte beschikking nodig.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel en het ontbreken van noodzaak voor een aparte beschikking voor het vervoer.