AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit over bezwaar tegen handhaving uitbreiding veehouderij
De Coöperatie Mobilisation for the Environment (MOB) verzocht het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland om handhavend op te treden tegen de uitbreiding van een veehouderij door een nieuwe varkensstal. Het college reageerde op 5 maart 2014 met een brief die het verzoek niet als besluit kwalificeerde. MOB maakte bezwaar tegen deze reactie, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond.
MOB stelde beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de brief van 5 maart 2014 geen besluit in de zin van de Awb was omdat deze geen publiekrechtelijk rechtsgevolg had. Daardoor was het bezwaar van MOB ten onrechte ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit werd daarom vernietigd voor zover het bezwaar ontvankelijk en ongegrond werd verklaard.
De Afdeling besloot zelf in de zaak te voorzien en verklaarde het bezwaar tegen de brief van 5 maart 2014 niet-ontvankelijk. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van MOB. De overige beroepsgronden behoefden geen bespreking meer vanwege de aard van de vernietiging.
Uitkomst: Het beroep van MOB wordt gegrond verklaard en het besluit van het college wordt vernietigd voor zover het bezwaar ontvankelijk en ongegrond is verklaard.
Uitspraak
201408367/1/R2.
Datum uitspraak: 29 juli 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob), gevestigd te Nijmegen,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
Procesverloop
Bij brief van 5 maart 2014 heeft het college gereageerd op het verzoek van MOB van 9 januari 2014 om handhavend op te treden krachtens de Nbw 1998 tegen de uitbreiding van een veehouderij aan de [locatie] te Reeuwijk door de oprichting van een nieuwe varkensstal.
Bij besluit van 4 september 2014, kenmerk PZH-2014-483394502 DOS-2014-0003812 RB-2014-100/102/134 ODH-2014-00180482 DOS-OZHZ-009900229/127740, verzonden op diezelfde datum, heeft het college het door MOB hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft Mob beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2015, waar Mob, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.H. van Schaik-Sinnema, M.L. de Koning en M.G.J. Hoogerdijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.
Overwegingen
1. Ter zitting heeft Mob haar beroepsgrond dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is beslist omtrent de vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, ingetrokken.
2. Mob betoogt dat haar bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard en voert daartoe verscheidene gronden aan.
2.1. Ingevolge artikel 8:1 vanPro de Awb kan een belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.
Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, wordt onder ‘besluit’ verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2. Een beslissing strekkende tot afdoening van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:11 vanPro de Awb behelst als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling. De indiener van een bezwaarschrift is als zodanig dan ook belanghebbende bij de beslissing op zijn bezwaar. Of het bezwaarschrift zelf ontvankelijk was, is voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de Afdeling niet van belang. Wel dient de Afdeling te onderzoeken of het betrokken bestuursorgaan bij het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift tot een juist oordeel over de ontvankelijkheid van dit bezwaarschrift is gekomen. Indien de laatstbedoelde vraag ontkennend moet worden beantwoord, leidt dit tot vernietiging van de beslissing op het bezwaarschrift.
2.3. De Afdeling ziet zich gelet op het vorenstaande voor de vraag gesteld of de schriftelijke reactie van het college van 5 maart 2014 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 vanPro de Awb, waartegen voor Mob bezwaar openstond. In het besluit op het bezwaar is het college ervan uitgegaan dat zijn reactie inhoudende dat de krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleende vergunning voor de uitbreiding van de veehouderij bij een besluit van 27 januari 2014 is ingetrokken, een besluit is. Deze reactie houdt echter geen handeling in die is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg, nu daardoor geen recht, plicht, bevoegdheid of juridische status wordt gecreëerd of teniet gedaan. De Afdeling volgt voorts niet het standpunt van het college dat de brief van 5 maart 2014 als besluit moet worden aangemerkt omdat met de bedoelde intrekking van de Nbw 1998-vergunning het verzoek om handhaving is ingewilligd. In de brief van 5 maart 2014 wordt geen beslissing gegeven op het verzoek om handhaving, te weten het verzoek om de bouwwerkzaamheden voor de nieuwe stal te doen stoppen, en tevens heeft de intrekking van de Nbw 1998-vergunning niet bij de reactie van 5 maart 2014 plaatsgevonden, maar bij een besluit van 27 januari 2014. Ook anderszins valt niet in te zien dat de brief van 5 maart 2014 een handeling inhoudt die is gericht op rechtsgevolg. De conclusie is dat de reactie van 5 maart 2014 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft het college de bezwaren van MOB ten onrechte ontvankelijk geacht.
3. In hetgeen Mob heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de bezwaren van MOB ontvankelijk en ongegrond zijn verklaard, is genomen in strijd met de artikel 7:1 vanPro de Awb. Het beroep is reeds hierom gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
Gelet op de aard van de vernietiging behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
4. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Hierbij betrekt de Afdeling dat het college geen andere beslissing zal kunnen nemen dan het door Mob tegen de brief van 5 maart 2014 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 4 september 2014, kenmerk PZH-2014-483394502 DOS-2014-0003812 RB-2014-100/102/134 ODH-2014-00180482 DOS-OZHZ-009900229/127740, voor zover het bezwaar van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. daarbij ontvankelijk en gegrond is verklaard;
III. verklaart het bezwaar van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. tegen de brief van 5 maart 2014, kenmerk 2014006630/CKE, niet-ontvankelijk;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.