ECLI:NL:RVS:2015:2324
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister inzake niet-ontvankelijkheid bezwaar Wob-verzoek
Appellant diende een verzoek om informatie in op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De minister stelde zich op het standpunt dat hij geen dwangsom had verbeurd en verklaarde het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift niet duidelijk maakte tegen welk besluit het gericht was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister appellant niet de gelegenheid had gegeven het vermeende verzuim te herstellen. De minister had het bezwaarschrift pas op 4 maart 2014 aan het dossier toegevoegd, waardoor appellant niet tijdig kon reageren.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 17 maart 2014 en de uitspraak van de rechtbank. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de wettelijke vereisten, waarbij tevens wordt bevestigd dat het verzoek van appellant een geldig Wob-verzoek betreft.
Verder is bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak en is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard, het besluit van de minister wordt vernietigd en een nieuw besluit moet worden genomen.