ECLI:NL:RVS:2015:2304
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- B.P. Vermeulen
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek om BVD-rapportages op grond van Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over het deels afwijzen van zijn verzoek om afschrift van rapportages van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), nu Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). De minister had het verzoek deels geweigerd op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv), met name vanwege bescherming van bronnen, actuele werkwijzen en persoonsgegevens.
De rechtbank oordeelde dat de Wiv het toepasselijke kader is, omdat de gevraagde documenten door of ten behoeve van de BVD zijn verwerkt en dat de minister terecht gegevens heeft geweigerd ter bescherming van nationale veiligheid. Appellant voerde aan dat de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van toepassing zou moeten zijn, maar dit werd verworpen omdat de Wiv specifiek het regime voor deze gegevens regelt.
Verder werd geoordeeld dat het weigeren van persoonsgegevens van derden, ook van bekende personen, rechtmatig is en dat de minister de rubricering van documenten mocht aanpassen om misverstanden over openbaarmaking te voorkomen. Appellant stelde dat de minister willekeurig zou handelen, maar dit werd niet gevolgd. Ook de klacht over het niet opleggen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen faalde.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister heeft het verzoek terecht op grond van de Wiv beoordeeld en de belangen van de nationale veiligheid en privacy van derden zijn adequaat meegewogen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.