ECLI:NL:RVS:2015:2188
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en afwijzing verzoek opheffing zwaar inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris op 20 februari 2015 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk, omdat een zwaar inreisverbod van kracht was. De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, omdat de beoordeling van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod te allen tijde mogelijk moet zijn, mede gelet op artikel 3 EVRM Pro.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank het beroep had moeten behandelen alsof het mede gericht was tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het zware inreisverbod. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover het beroep niet als zodanig was behandeld.
Inhoudelijk werd vastgesteld dat de vreemdeling onvoldoende had aangetoond dat hij door uitzetting in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden zou verkeren, zoals bedoeld in artikel 3 EVRM Pro en relevante jurisprudentie van het EHRM. Ook waren er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een heroverweging rechtvaardigden. Daarom werd het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod ongegrond verklaard.
De Raad van State sprak geen proceskostenveroordeling uit en bevestigde daarmee het belang van een volledige toetsing van het beroep, maar handhaafde het inreisverbod op grond van de bestaande omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het zware inreisverbod is ongegrond verklaard.