ECLI:NL:RVS:2015:212
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep vreemdeling op asielweigering
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 22 november 2013 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 19 juni 2014 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van het geschil betrof de motivering van de staatssecretaris dat het asielrelaas van de vreemdeling onvoldoende overtuigingskracht zou hebben. De staatssecretaris voerde aan dat de verklaringen van de vreemdeling over de dood van haar echtgenoot en de rol van de FSB niet consistent waren en dat bepaalde documenten, zoals de ziekenhuisverklaring en het opsporingsbevel, niet de waarde hadden die de vreemdeling eraan toekende.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht heeft. De Raad vond echter dat de staatssecretaris in redelijkheid bevreemdingwekkend mocht achten dat de vreemdeling en haar zonen bij invallen ongemoeid waren gelaten, en dat de vreemdeling onvoldoende uitleg had gegeven over de wijze van verkrijging van de ziekenhuisverklaring en het opsporingsbevel.
Daarom vernietigde de Raad van State de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 november 2013 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.