ECLI:NL:RVS:2015:2001

Raad van State

Datum uitspraak
4 juni 2015
Publicatiedatum
24 juni 2015
Zaaknummer
201504312/2/A1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing bestuursbesluiten stadsdeel Centrum

Het hoger beroep betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen besluiten van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum, die door verzoeker zijn aangevochten. Verzoeker heeft een winkel met een klein verkoopoppervlak in een rustige straat en maakt circa 70% van zijn omzet uit de verkoop van truffels.

De voorzieningenrechter heeft het belang van verzoeker bij schorsing van de last onder dwangsom zwaarder gewogen dan het algemene belang van het college bij handhaving van het bestemmingsplan. De dwangsommen zijn vastgesteld per week overtreding, maar verzoeker is nog geen dwangsommen verschuldigd omdat de begunstigingstermijn tot 3 juni 2015 liep en er geen overtredingen langer dan een week hebben plaatsgevonden.

De voorzieningenrechter heeft het besluit van 23 december 2013 en het besluit van 15 mei 2014 geschorst tot de uitspraak in de bodemprocedure. Tevens is het door verzoeker betaalde griffierecht van €248,- vergoed. Er zijn geen proceskosten vastgesteld voor vergoeding.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de bestuursbesluiten en gelast vergoeding van het griffierecht aan verzoeker.

Uitspraak

201504312/2/A1.
Datum uitspraak: 4 juni 2015 AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 22 april 2015 in zaak nr. 14/3390 in het geding tussen: [verzoeker] en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum, thans algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum (hierna: het algemeen bestuur). Openbare zitting gehouden op 4 juni 2015 om 14:15 uur. Tegenwoordig:
Staatsraad mr. S.F.M. Wortmann voorzieningenrechter griffier: mr. R.J. van den Berg Verschenen:
[verzoeker] en [persoon];
Het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. Luttik, werkzaam bij de gemeente. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 22 april 2015 van de rechtbank. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum van 23 december 2013, kenmerk BWT 60-13-0207, en het besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum van 15 mei 2014, kenmerk BJZ 98-14-0015, tot en met de dag dat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure; II. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) vergoedt. Daartoe overweegt zij het volgende. De voorzieningenrechter ziet bij afweging van de betrokken belangen aanleiding om de door [verzoeker] gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het economische belang van [verzoeker] bij schorsing van de aan hem opgelegde last onder dwangsom naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit bijzondere geval zwaarder weegt dan het algemene belang van het college bij handhaving van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter acht daartoe van belang dat [verzoeker] met de door hem overgelegde gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat circa 70% van de omzet die hij met zijn winkel maakt, voortkomt uit de verkoop van truffels. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [verzoeker] onbestreden heeft gesteld dat zijn winkel een zeer klein verkoopoppervlak heeft en dat de winkel is gelegen in een relatief rustige straat, waar weinig toeristen komen. De voorzieningenrechter overweegt dat de te verbeuren dwangsommen zijn vastgesteld op een bedrag per week dat de overtreding voortduurt. De aan de last verbonden begunstigingstermijn is, als gevolg van de verlenging van die termijn door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in haar uitspraak van 8 juli 2014, geëindigd op 3 juni 2015. Er heeft zich op het moment van deze uitspraak nog niet de situatie voorgedaan dat na 3 juni 2015 overtredingen gedurende een week of langer hebben voortgeduurd. [verzoeker] is derhalve nog geen dwangsommen verschuldigd. De voorzieningenrechter merkt ter voorlichting van partijen op dat door het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening [verzoeker] in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure geen dwangsommen verbeurt. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. w.g. Wortmann w.g. Van den Berg
voorzieningenrechter griffier 651.