ECLI:NL:RVS:2015:1996
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen feitelijke uitzetting vreemdeling
De vreemdeling maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting op 14 februari 2013. De staatssecretaris verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk, waarna de rechtbank het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit eveneens niet-ontvankelijk verklaarde. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting moet worden gezien als een aanvulling op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de procedure tegen het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht. Omdat op het moment van het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting de procedure tegen het beëindigingsbesluit nog niet onherroepelijk was, was er geen grond om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en verklaart het beroep gegrond. Er hoeft geen nieuw besluit te worden genomen. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen feitelijke uitzetting is vernietigd en het beroep gegrond verklaard.