ECLI:NL:RVS:2015:1987
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Vergoeding griffierecht en proceskosten na intrekking erkenning bedrijfsvoorraad RDW
De RDW heeft bij besluit van 9 januari 2014 de erkenning bedrijfsvoorraad van appellante ingetrokken voor zes weken wegens het niet verlenen van medewerking aan controlebezoeken in november en december 2013. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard, maar later werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het bezwaarbesluit niet-ontvankelijk en ongegrond tegen het handhavingsbesluit.
Appellante stelde in hoger beroep dat de intrekking prematuur ten uitvoer was gelegd en dat zij schade had geleden door het besluit. Ook voerde zij aan dat de RDW de rechtbank had misleid door het niet tijdig overleggen van stukken en dat het toezichtbeleid tot rechtsongelijkheid leidde. De Raad van State oordeelde dat de intrekking niet prematuur was en dat het toezichtbeleid niet onredelijk was. De rechtbank had terecht geen aanleiding gezien om de rapportages van de RDW in twijfel te trekken.
Wel oordeelde de Raad van State dat de rechtbank had moeten bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht moest worden vergoed, omdat appellante door het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar gedwongen was beroep te doen tegen het bezwaarbesluit. De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak dat de griffierechtvergoeding niet toekende, bevestigde het overige en veroordeelde de RDW tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de RDW wordt gelast het griffierecht en proceskosten aan appellante te vergoeden.