ECLI:NL:RVS:2015:197
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging schuldhulpverlening wegens onterechte nieuwe schulden
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om zijn schuldhulpverleningstraject te beëindigen. Het college baseerde dit op het feit dat appellant nieuwe schulden zou hebben aangegaan, geen stabiele woon- of leefsituatie zou hebben en samenwoonde met een niet rechtmatig verblijvende partner. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant stelde dat de vermeende nieuwe schulden niet aan hem toe te rekenen waren, aangezien deze voortkwamen uit de situatie van zijn echtgenote die niet rechtmatig in Nederland verbleef, en dat de terugvordering van toeslagen onrechtmatig was. Ook voerde appellant aan dat het college verantwoordelijk was voor betaling van een energierekening en dat hij tijdig melding had gedaan van een dienstverband.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat appellant nieuwe schulden had aangegaan. De schuld bij Azivo was niet door appellant, maar door zijn echtgenote aangegaan. De terugvordering van toeslagen betrof perioden voor het schuldhulpverleningstraject en was niet aan appellant te wijten. De energierekening was een jaarafrekening en het college had de betalingsverplichting. Tevens was appellant tijdig geïnformeerd over zijn dienstverband.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij haar kan worden ingesteld. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van het schuldhulpverleningstraject is vernietigd en het beroep gegrond verklaard.