ECLI:NL:RVS:2015:1949
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.W. van de Gronden
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking standplaatsvergunning wegens niet-naleving persoonlijke aanwezigheid op markt
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok op 16 mei 2013 de standplaatsvergunningen van appellant voor de algemene warenmarkten aan het Vredenburg in, omdat hij zijn standplaats regelmatig niet persoonlijk innam zoals vereist volgens het Marktreglement Utrecht 2010.
Appellant voerde aan dat het college ten onrechte het vereiste van actief aan het werk zijn heeft gesteld naast persoonlijke aanwezigheid en dat het controlesysteem niet sluitend is. De rechtbank oordeelde echter dat het niet actief zijn niet bepalend was en dat de presentielijsten en dagrapporten samen voldoende bewijs vormden dat appellant zijn standplaats regelmatig niet persoonlijk innam.
Verder betoogde appellant dat de onvoorwaardelijke intrekking voor alle marktdagen onevenredig was en dat een lichtere maatregel passend zou zijn. De Raad oordeelde dat het college na herhaalde waarschuwingen en het geven van het voordeel van de twijfel gerechtigd was tot volledige intrekking over te gaan.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de standplaatsvergunningen wordt bevestigd wegens het structureel niet persoonlijk innemen van de standplaats.