ECLI:NL:RVS:2015:1931
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks financiële omstandigheden
De minister legde op 1 november 2013 een boete van €24.000 op aan een vennootschap wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat twee Bulgaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten.
De vennootschap maakte bezwaar, dat door de minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens een onjuiste maatstaf bij de evenredigheidstoets, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat onvoldoende onderbouwing werd gegeven voor matiging.
In hoger beroep voerde appellant aan dat persoonlijke en financiële omstandigheden onvoldoende in aanmerking waren genomen en dat hij niet tijdig stukken kon overleggen. De Raad van State oordeelde dat appellant ruimschoots gelegenheid had gehad stukken in te dienen en dat de financiële situatie onvoldoende aannemelijk was gemaakt om matiging te rechtvaardigen.
De minister had de boete passend vastgesteld conform beleidsregels en het evenredigheidsbeginsel. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €24.000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.