ECLI:NL:RVS:2015:1914
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel Oeigoeren wegens risico schending artikel 3 EVRM
De vreemdelingen, waaronder een minderjarig kind, hadden bij de staatssecretaris een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 16 december 2013 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdelingen voerden aan dat zij als Oeigoeren bij terugkeer naar China een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, onder meer vanwege de negatieve aandacht van de Chinese autoriteiten wegens hun asielaanvraag in het buitenland. Zij stelden zich op het standpunt dat de situatie in Xinjiang sinds 2012 verslechterd is, zoals blijkt uit ambtsberichten en rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch.
De staatssecretaris voerde aan dat er geen concrete informatie is over teruggekeerde Oeigoeren en dat niet aannemelijk is dat iedere Oeigoer die asiel aanvraagt een reëel risico loopt. De Afdeling oordeelde echter dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een reëel risico lopen, mede gelet op de gewijzigde veiligheidssituatie en het ontbreken van registratie op etniciteit.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. De zaak werd zelf afgedaan met een vernietiging van de eerdere afwijzingen.
Uitkomst: De besluiten van de staatssecretaris tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel zijn vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het risico op schending van artikel 3 EVRM.