ECLI:NL:RVS:2015:1779

Raad van State

Datum uitspraak
27 mei 2015
Publicatiedatum
3 juni 2015
Zaaknummer
201502447/1/A3 en 201502447/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 1:3 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen besluit korpschef inzake verstrekking politiegegevens afgewezen

De appellant verzocht de korpschef om inzage in en verstrekking van politiegegevens die over hem waren vastgelegd. De korpschef gaf hem mondeling inzage op het politiebureau, maar weigerde afschriften te verstrekken. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de appellant niet-ontvankelijk en wees het beroep af. De appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De Raad van State oordeelde dat de brief van 31 maart 2014 van de korpschef wel als een besluit moet worden aangemerkt, en dat het besluit van 27 januari 2015 tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar onterecht was. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Het bezwaar van de appellant werd als beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 behandeld.

De Raad van State overwoog dat de korpschef conform artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens bevoegd is om te bepalen op welke wijze de gegevens worden verstrekt. Het mondeling verstrekken van de gegevens op het politiebureau, waarbij de appellant aantekeningen kon maken, voldeed aan de wettelijke eisen. Het verzoek om afschriften werd daarom terecht geweigerd.

Het beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De korpschef werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de appellant.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 wordt afgewezen; de korpschef hoeft geen afschrift van politiegegevens te verstrekken.

Uitspraak

201502447/1/A3 en 201502447/2/A3.
Datum uitspraak: 27 mei 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 18 maart 2015 in zaken nrs. 15/678 en 15/680 in het geding tussen:
[appellant]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij brief van 31 maart 2014 heeft de korpschef gereageerd op een verzoek van [appellant] van 26 maart 2014 om inzage in en/of verstrekking van hem betreffende politiegegevens.
Bij brief van 10 mei 2014 heeft de korpschef het daartegen door [appellant] bij hem ingediende bezwaarschrift van 14 april 2014 doorgezonden aan de rechtbank Noord-Nederland ter behandeling als beroepschrift.
Bij uitspraak van 3 december 2014 heeft de rechtbank Noord-Nederland zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen.
Bij besluit van 27 januari 2015 heeft de korpschef, in navolging van deze uitspraak, het bezwaar van [appellant] van 14 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2015 heeft de rechtbank het beroep dat [appellant] bij brief van 4 februari 2015 daartegen heeft ingesteld, ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 april 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.G.J. Smit, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. B. Boukema, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. [appellant] voert in hoger beroep aan dat de rechtbank zijn wrakingsverzoek van 19 maart 2015 ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter dat uit artikel 8:15 van Pro de Awb, gelezen in samenhang met de toelichting op die bepaling, valt af te leiden dat een verzoek om wraking niet kan worden gedaan, nadat uitspraak is gedaan. De rechtbank heeft de uitspraak in zaak nrs. 15/678 en 15/860 op 18 maart 2015 openbaar gemaakt. Nu het wrakingsverzoek nadien is gedaan, heeft de rechtbank dit verzoek terecht buiten behandeling gelaten.
3. Ambtshalve overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De brief van 31 maart 2014 is aan [appellant] verzonden in reactie op zijn verzoek om inzage in en/of verstrekking van de hem betreffende gegevens die zijn vastgelegd door de eenheid Noord-Nederland van de politie in de periode van 1 maart 2011 tot en met 26 maart 2014. In de brief heeft de korpschef aan [appellant] medegedeeld dat de kennisneming van de over hem geregistreerde gegevens op grond van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens (hierna: de Wpg) wordt toegestaan op de in deze brief nader aangegeven wijze, maar dat geen afschriften van de gegevens aan hem worden verstrekt. De brief is daarmee op rechtsgevolg gericht. De rechtbank heeft de brief van 31 maart 2014 dan ook ten onrechte niet aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
Gelet op artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awb, gelezen in samenhang met de bij deze wet horende bijlage 1 'Regeling rechtstreeks beroep' staat tegen besluiten op grond van artikel 25 en Pro 28 van de Wpg rechtstreeks beroep open. De korpschef heeft op 27 januari 2015 dan ook ten onrechte een besluit op het bezwaar van [appellant] van 14 april 2014 genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeven gelet hierop geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep van [appellant] tegen het besluit van 27 januari 2015 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Voorts zal de voorzieningenrechter, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bezwaar van [appellant] van 14 april 2014 aanmerken als een beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 en dit beroep behandelen.
5. [appellant] heeft in dit beroep aangevoerd dat de korpschef hem ten onrechte geen afschrift van de verzochte gegevens heeft verstrekt.
5.1. Ingevolge artikel 25, eerste lid, eerste volzin, van de Wpg deelt de verantwoordelijke een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens zijn vastgelegd. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 84) is het aan de verantwoordelijke, in dit geval de korpschef, om te bepalen of de gegevens schriftelijk of mondeling worden verstrekt.
5.2. Bij besluit van 31 maart 2014 is [appellant] de gelegenheid geboden om van de verzochte gegevens kennis te nemen op het politiebureau in Groningen. Niet in geschil is dat [appellant] op 8 april 2014 en 22 april 2014 van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. De politiegegevens zijn op die momenten mondeling aan [appellant] medegedeeld, waarbij hij aantekeningen heeft kunnen maken. De korpschef heeft [appellant] tijdens de zitting bij de rechtbank aangeboden om nogmaals langs te komen om van de verzochte gegevens kennis te nemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpschef het verzoek van [appellant] op deze manier in overeenstemming met het bepaalde in artikel 25, eerste lid, eerste volzin, van de Wpg heeft afgedaan. Voor het verstrekken van een afschrift van de verzochte gegevens heeft de korpschef geen aanleiding hoeven zien.
6. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 31 maart 2014 is ongegrond.
7. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
8. De korpschef dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 18 maart 2015 in zaken nrs. 15/678 en 15/680;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van de korpschef van politie van 27 januari 2015, kenmerk N15.000831, gegrond;
IV. vernietigt het onder III vermelde besluit;
V. verklaart het beroep tegen het besluit van de korpschef van politie van 31 maart 2014, kenmerk N14.010192, ongegrond;
VI. wijst het verzoek af;
VII. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Binnema
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015
589.