ECLI:NL:RVS:2015:1736

Raad van State

Datum uitspraak
3 juni 2015
Publicatiedatum
3 juni 2015
Zaaknummer
201405562/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • F.C.M.A. Michiels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens vervallen belang na intrekking dwangsombesluit

Bij besluit van 12 november 2012 legde het college van burgemeester en wethouders van Dronten aan appellant een dwangsom op om coniferen terug te snoeien tot de erfgrens. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op 9 september 2014 trok het college het dwangsombesluit in vanwege verjaring van de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom. Hierdoor verviel het belang van appellant bij de beoordeling van het hoger beroep. De Afdeling oordeelde dat het intrekkingsbesluit onvoorwaardelijk was en dat appellant door de intrekking had bereikt wat hij met het hoger beroep beoogde.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep en het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een rechtens te beschermen belang. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot terugbetaling van het door appellant betaalde griffierecht. De Afdeling benadrukte dat de mogelijkheid van een toekomstige handhavingsprocedure een onzekere gebeurtenis is en geen reden vormt om het beroep ontvankelijk te verklaren.

Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het intrekkingsbesluit worden niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen belang.

Uitspraak

201405562/1/A3.
Datum uitspraak: 3 juni 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Biddinghuizen, gemeente Dronten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 mei 2014 in zaak nr. 13/6494 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Dronten.
Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2012 heeft het college [appellant], onder oplegging van een dwangsom, gelast binnen twee weken de coniferen aan de zijkant van zijn woning terug te snoeien tot aan de erfgrens.
Bij besluit van 4 november 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 9 september 2014 heeft het college het besluit van 12 november 2012 ingetrokken.
[appellant] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2015, waar [appellant] is verschenen. Voorts is ter zitting [partij], die krachtens artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, gehoord.
Overwegingen
1. Bij besluit van 9 september 2014 heeft het college het besluit van 12 november 2012 ingetrokken, omdat, door verjaring van de bevoegdheid daartoe, de door [appellant] verbeurde dwangsom niet meer kan worden ingevorderd. Nu [appellant] door de intrekking van het besluit van 12 november 2014 heeft bereikt hetgeen hij met het instellen van het hoger beroep heeft beoogd, is zijn belang bij de beoordeling daarvan komen te vervallen. De omstandigheid dat het college in het intrekkingsbesluit te kennen heeft gegeven dat de situatie weer zal worden opgenomen en de bevindingen daarvan aanleiding kunnen zijn om ambtshalve een handhavingsprocedure te starten, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Deze omstandigheid leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Ook overigens is niet gebleken dat [appellant] nog een rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
[appellant] heeft evenmin belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het intrekkingsbesluit. Met dat besluit, dat, anders dan [appellant] heeft gesteld, onvoorwaardelijk is, is immers aan zijn hoger beroep tegemoetgekomen. Het hoger beroep en het beroep tegen het intrekkingsbesluit zullen niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Indien het beroep niet-ontvankelijk is omdat belang ontbreekt moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen. Met analoge toepassing van het in artikel 8:75a van de Awb opgenomen criterium bij toepassing van artikel 8:75 is Pro dan een proceskostenveroordeling mogelijk.
Gezien het hiervoor onder 1 overwogene is tegemoetgekomen in de zin van voormelde bepalingen.
3. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
4. Nu [appellant] door toedoen van het college geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep, ziet de Afdeling aanleiding het college op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te gelasten het door [appellant] betaalde griffierecht te vergoeden.
5. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep en het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 44,84 (zegge: vierenveertig euro en vierentachtig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Dronten aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.
w.g. Michiels w.g. Klein
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015
176-773.