ECLI:NL:RVS:2015:1682
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onttrekking aan toezicht en weigering verblijfsvergunning onder Regeling langdurig verblijvende kinderen
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van vreemdelingen tegen afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de Regeling langdurig verblijvende kinderen gegrond verklaarde. De vreemdelingen, bestaande uit een minderjarig kind als hoofdaanvrager en gezinsleden, werden door de staatssecretaris verweten zich niet aan het vereiste toezicht van instanties als de IND, DT&V en COa te hebben gehouden.
De Raad voor de Rechtspraak overweegt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen actief handelen tot onttrekking aan toezicht leidt. De staatssecretaris heeft terecht gesteld dat vreemdelingen zich langdurig aan het toezicht hebben onttrokken, omdat zij sinds 2008 tot 2013 buiten beeld waren en geen contact met de toezichthoudende instanties hebben onderhouden. Het enkele feit dat zij bekend waren bij gemeentelijke instanties of dat hun gegevens in het IND-systeem stonden, betekent niet dat zij aan het toezicht voldeden.
Verder oordeelt de Raad dat het belang van de vreemdelingen, waaronder het recht op respect voor het privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro, is meegewogen, maar dat het Nederlandse belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt. De Raad wijst het beroep af en vernietigt het vonnis van de rechtbank, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunningen en het uitgevaardigde inreisverbod standhouden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van hun verblijfsvergunningen blijft gehandhaafd.