ECLI:NL:RVS:2015:1649

Raad van State

Datum uitspraak
19 mei 2015
Publicatiedatum
27 mei 2015
Zaaknummer
201405766/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbVerordening (EG) 343/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij Dublinoverdracht

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door Stichting Nidos, hadden bij besluiten van 5 juni 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de staatssecretaris werden afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde hun beroepen ongegrond op 11 juli 2014. Tegen deze uitspraak stelden zij hoger beroep in bij de Raad van State.

Het hoger beroep richtte zich op het voorkomen van overdracht aan Italië op grond van de Dublinverordening. De staatssecretaris stelde dat de vreemdelingen geen belang meer hadden bij het hoger beroep omdat vreemdeling 1 inmiddels een machtiging tot voorlopig verblijf had gekregen en de procedure tot overdracht voor haar was ingetrokken, terwijl vreemdeling 2 met onbekende bestemming was vertrokken en in Duitsland een asielaanvraag had ingediend.

De Raad van State concludeerde dat onder deze omstandigheden het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan belang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het vonnis werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer op 19 mei 2015.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

201405766/1/V3.
Datum uitspraak: 19 mei 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
Stichting Nidos, in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [vreemdeling 1], en [vreemdeling 2], mede voor zijn minderjarige kind; tezamen: de vreemdelingen),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2014 in zaken nrs. 14/13445 en 14/13448 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 5 juni 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 11 juli 2014 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris en de vreemdelingen hebben nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het hoger beroep van de vreemdelingen is erop gericht te voorkomen dat zij op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003 L 050; hierna: de Dublinverordening) door de staatssecretaris worden overgedragen aan Italië.
Het door de staatssecretaris op 24 april 2015 overgelegde nadere stuk komt erop neer dat volgens hem de vreemdelingen geen belang hebben bij het ingestelde hoger beroep. Bij brief van 11 mei 2015 hebben de vreemdelingen op dat stuk gereageerd.
2. Uit door de staatssecretaris verstrekte informatie blijkt dat vreemdeling 1 op enig moment met onbekende bestemming is vertrokken, maar dat aan haar inmiddels een machtiging tot voorlopig verblijf is verleend in het kader van gezinshereniging met haar in Nederland verblijvende ouders en dat de staatssecretaris aan de Italiaanse autoriteiten heeft medegedeeld de procedure tot overdracht op grond van de Dublinverordening voor vreemdeling 1 in te trekken.
Uit door de staatssecretaris verstrekte informatie blijkt voorts dat vreemdeling 2 op enig moment met onbekende bestemming is vertrokken en op 8 september 2014 in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Hij is door Duitsland niet aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen.
Onder deze omstandigheden hebben de vreemdelingen geen belang bij beoordeling van het door hen ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2014.
3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Verbeek
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2015
574.