ECLI:NL:RVS:2015:1386
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling korpschef tot proceskostenvergoeding wegens beroepsmatige rechtsbijstand
Bij besluit van 15 maart 2013 heeft de korpschef een verzoek om informatie van appellante gedeeltelijk ingewilligd. Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2013, waarop de rechtbank Amsterdam op 19 juni 2014 het bezwaar gegrond verklaarde en het besluit vernietigde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep van appellante tegen deze uitspraak. De Afdeling oordeelde dat het besluit van 28 augustus 2013 tijdig en op de juiste wijze bekend is gemaakt, en dat de korpschef geen dwangsom verschuldigd is. Tevens werd geoordeeld dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er andere documenten onder de korpschef berusten.
Belangrijk is dat de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat de rechtsbijstand niet beroepsmatig door een derde was verleend, onjuist achtte. De gemachtigde was weliswaar kantoorgenoot van een statutair bestuurder van appellante, maar had geen persoonlijk belang bij de zaak en was beroepsmatig advocaat. Daarom veroordeelde de Afdeling de korpschef alsnog tot vergoeding van de proceskosten voor de beroepsmatige rechtsbijstand en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De korpschef is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens beroepsmatige rechtsbijstand en het betaalde griffierecht.