ECLI:NL:RVS:2015:13
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling Belastingdienst tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bij kinderopvangtoeslag
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het beroep ongegrond verklaarde tegen herziening van de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009. De Belastingdienst had de voorschotten voor deze jaren op nihil gesteld omdat appellant niet had aangetoond dat de kosten van kinderopvang daadwerkelijk waren voldaan, mede omdat de toeslagpartner van appellant in die jaren als gastouder werkzaam was bij het gastouderbureau.
Appellant stelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de betalingsverplichtingen en dat de kosten wel waren voldaan door verrekening met het salaris van de toeslagpartner. De Raad van State oordeelde echter dat appellant dit niet voldoende had aangetoond, mede vanwege onduidelijkheden over de loonstroken, inkoopfacturen en de aard van de werkzaamheden van de toeslagpartner.
Daarnaast stelde appellant dat de redelijke termijn voor de behandeling van de bezwaar- en beroepsprocedure was overschreden, en dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot schadevergoeding had afgewezen. De Raad van State bevestigde dat de totale procedure bijna vier en een half jaar had geduurd, ruim boven de redelijke termijn van vijf jaar voor bezwaar en beroep samen, en veroordeelde de Belastingdienst tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €1.500.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de afwijzing van de schadevergoeding betrof, en bevestigd voor het overige. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Belastingdienst is veroordeeld tot betaling van € 1.500,- immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.